Als kind was ik een bijter. Ik beet in dingen, uit reflex. In legoblokjes, maar ook als baby al in snoeren van lampen. Zelfs in andere kinderen. Op een verjaardag bij een oom en tante heb ik ooit een vreemd kind gebeten. En mijn zus heeft nog steeds de afdruk van drie van mijn tanden in haar arm staan.

Het is een gewoonte die ik na mijn kindertijd heb afgeleerd. Maar jaren geleden kwam de reflex één keer terug. Op het voetbalveld. Ik was zo kwaad op een tegenstander die mij een kunstje flikte, dat ik hem wilde bijten. Het was geen overwogen besluit – ik zag een hand voor mijn mond na een valpartij, en voelde ineens de neiging erin te happen. Dat deed ik natuurlijk niet, want ik ben opgevoed.

Ik moest eraan denken toen ik vannacht Uruguay-Italië terugkeek. Luis Suarez kon zich voor de derde keer in zijn carrière niet bedwingen en beet in zijn tegenstander. Veel meer dan ik is Luis een alfamannetje, bij wie de testosteron door zijn lichaam zal gieren tijdens zo’n wedstrijd. Hij wordt een beest dat koste wat kost wil winnen. En dus laat hij zijn verstand los. Het maakt hem tot zo’n briljante voetballer – en tot een volslagen idioot.

Advertenties