Archives for category: Kort over sport

Nuttiger dan je tijd te verdoen met candycrush is dezelfde tijd besteden aan de persecondewijzerapp. Per Seconde Wijzer heeft sinds een aantal jaar een categorie sport, waarmee de lacune van een goede sportquiz op televisie deels wordt gevuld.

In de app stuitte ik op een vraag over Nederlandse wielerknechten. Een van de antwoorden was Erwin Nijboer, in de jaren negentig drie jaar lang knecht van Miguel Indurain bij Banesto. Zijn bestaan zat weggestopt in een donker archiefkamertje van mijn geheugen, en leverde me in de app enkel een joker op omdat ik de andere knechten wel meteen thuis wist te brengen.

Erwin Nijboer heeft inmiddels een bedrijf in sportkleding. Volgens zijn website, erwinnijboer.nl, geeft hij ook clinics aan bedrijven. ‘Dat is topsport. Het vraagt doorzettingsvermogen en het uiterste van je. Is het in het bedrijfsleven niet hetzelfde? Pieken en nooit opgeven.’ Interessante tekst. Erwin Nijboer reed 17 grote rondes, waarin hij zeven keer opgaf. Om zijn boodschap toch kracht bij te zetten, heeft hij de letters ‘win’ in zijn voornaam groen gemaakt. Rechts op zijn site staat in een grijs blok de tekst: We hebben 1 gast online’. Dat was ik. Ik hoop maar dat Erwins vrouw een goeie baan heeft.

Ik was als kind geen fan van Hugo Walker. Misschien was dat omdat als hij een wedstrijd versloeg, de zondagavonduitzendingen gevorderd waren tot het niveau van RKC – Willem II en Roda JC – FC Utrecht. Pas later ging ik mee in zijn cultstatus. Ik weet nog dat ik erachter kwam dat hij een Surinamer was. Dat is een gekke zin om op te schrijven, maar zo was het. Commentatoren hadden geen gezicht, enkel een stem. De Morgan Freeman van de NOS, dat was hij eigenlijk. Bronzen geluid, uniek taalgebruik. Hij was een liefhebber – anders houd je het niet vol om dertig jaar lang RKC – Willem II te verslaan.

Het lot was hem gunstig gezind, want hij overleed vrijdag zodat hij zaterdag niet meer hoefde te kijken naar de wanvertoning van Nederland tegen Turkije. Jeroen Grueter, commentator van dienst, hommeerde Walker nog wel even, door na het laatste fluitsignaal te zeggen: ‘en dan houden we er hier mee op, in Amsterdam.’

Waren het maar de woorden van Guus Hiddink geweest. Maar nee, die zei vandaag dat hij alles weer precies zo gedaan had. Hij blijft dus zitten waar hij zit. Of, zoals Hugo Walker gezegd zou hebben: ‘En daar gaat-ieieieie!…niet.’

In de ommelanden van Utrecht werden gisteren de restanten opgeruimd van de marathon die er zondag had plaatsgehad. Hekken en borden verdwenen op open vrachtwagens – de sport werd netjes opgeruimd.

Ik zat zondag een half uur lang op de Nieuwe Gracht, alwaar ik ongeveer 75 mensen voorbij zag lopen. We stonden bij kilometer 27, en er was twee uur en een kwartier verstreken toen we er gingen staan. De grote bulk zou dus nog komen, want de meeste marathonlopers zouden ergens tussen 3.30 en 4.30 lopen, schatte ik. Op zeker moment kwam er een man voorbij in een hesje waar heel groot 3.30 op stond – een lopende finishtijd, met een kleine schare volgelingen. Maar wat er daarna ook kwam: geen grote bulk. De plukjes lopers droegen hun naam op de borst, dus kon je ze wel persoonlijk aanmoedigen. Ik liep nog honderd meter mee met een bekende. Er waren meer toevallige passanten dan publiek – de stilte die het gevolg was, had iets surrealistisch.

Pas gisteren las ik dat er slechts 300 mensen waren die de hele marathon voltooiden. Daarvan hadden wij dus een kwart gezien. De kortere afstanden – halve marathon en 10 kilometer – waren populairder, maar die mensen zaten inmiddels al op een terras van een biertje te genieten.

Er zijn een paar zekerheden in het leven van de sportliefhebber. Nederland wordt wereldkampioen korfbal. Als je Verstappen heet, rijd je de meeste races niet uit. Sven Kramer wint het WK allround. Sergej Boebka heeft het wereldrecord polsstokhoogspringen. Epke Zonderland staat. De PC is op de vijfde woensdag van juli, ook als die in augustus valt. Louis van Gaal heeft altijd gelijk. Jeffrey Herlings is als eerste bij de finish. De Coolsingel blijft leeg.

De FIFA is corrupt. Wielrenners gebruiken doping. Hockeyers praten bekakt. Leontien van Moorsel heeft meer verstand van mascara dan van wereldpolitiek. Telstar speelt eerste divisie. Vroeger ging het minder hard. Relaties tussen coach en sporter houden geen stand. Johan Cruijff heb grammaticaissues. Op Wimbledon speel je in het wit. Arsène Wenger is coach van Arsenal. Amazones lijken op hun paard. Mario van den Ende is het oneens met de scheidsrechter. Nederlanders kunnen niet ijshockeyen. China pakt de tafeltennismedailles. En Robin Haase verliest op grote toernooien altijd de belangrijke wedstrijden.

Tot hij gisteren ineens van Stan Wawrinka won. In Indian Wells. De grondvesten van de sport schudden. Ik ben gelijk even op de Coolsingel gaan kijken. Maar nee, die was nog steeds leeg natuurlijk.

Maurits Hendriks, Nederlands chef de mission (zouden ze zo iemand in Frankrijk ‘baas van de missie’ noemen, voor het internationale evenwicht?), reageerde gisteren op het tragische ongeluk waarbij drie Franse sporters om het leven kwamen. ‘Een zwarte dag voor de internationale sport.’ Dat was ik niet met hem eens. Een zwarte dag was het, zeker, maar eerst en vooral voor (de families van) de betrokkenen – ook de zeven slachtoffers die bij de opnamecrew of de helikopters hoorden.

Geblinddoekt in een helikopter stappen, en nooit het daglicht meer zien. Wat een afschuwelijk einde. Er waren veel sporters mee; de Franse olympisch kampioen Alain Bernard zat zelfs in een van de helikopters, maar moest eruit omdat ze te zwaar beladen waren. Zouden ze nog gesproken hebben over wie eruit moest? Op de grond stonden nog Sylvain Wiltord (Europees kampioen met de voetbalploeg) en Jeannie Longo – de Navratilova van het vrouwenwielrennen.

Na jaren van toegewijd alles geven voor je sport eindelijk de vrijheid hebben om tijd te besteden aan leuke dingen. Museumbezoek. Een keertje naar de film. Een theatervoorstelling. Of meedoen met een sportief televisieprogramma. Wat een nachtmerrie. Niet voor de sport, voor de mensen.

Met Eric Gudde.
Dag meneer Gudde, u spreekt met Ahmed Aboutaleb.
Burgemeester!
Ik hoor dat de verbouwing van de Kuip niet doorgaat.
Breek me de bek niet open.
U staat op ontploffen?
Inderdaad.
Niet zo gek als je met BAM in zee gaat. Zeg, waarom gebruiken jullie eigenlijk het adagium ‘geen woorden maar daden’ nog?
Omdat het rijmt op ‘kameraden’ in ons clublied.
Oh, maar als dat het probleem is, wil ik wel even helpen hoor. Rijmwoorden op kameraden. Daar gaan we: Kiezen tussen twee kwaden. Doodlopende paden. Imagoschade. Het plan verdwijnt weer in de lade.
Ik hoor het al, u kent geen genade.
Dat is er ook nog één.
Ik ben u graag van dienst.
Een fontein in Rome verbouwen is geen punt, maar een kuip in onze eigen stad is een brug te ver.
Als u ons nou gewoon een beetje extra geld had gegeven…
Zodat jullie kampioen kunnen worden met dat nieuwe stadion, en de hele binnenstad weer kunnen slopen. Dank je de koekoek.
Was Ivo Opstelten nog maar burgemeester van Rotterdam.
Hoezo?
Die doet niet moeilijk over een paar miljoen links of rechts.
Ik heb gehoord dat hij sinds gisteren weer beschikbaar is.
Ja, maar zijn assistent heet Fred en wij houden niet van Freds. Bovendien schijnt Ivo te dementeren.
Oh, maar dát maakt weinig uit.
Hoezo?
Er is überhaupt niemand die zich nog een kampioenschap van Feyenoord kan herinneren.

Lex Immers maakte gisteren het eerste doelpunt in de Nederlandse eredivisie dat goedgekeurd werd dankzij doellijntechnologie. Vooruitgang, natuurlijk. Vooral mooi was het om te zien hoe de NAC-spelers afdropen na hun protesten, omdat Vink alleen maar op zijn horloge hoefde te wijzen. Tegen elektronica is het moeilijk protesteren.

Maar het is ook lastig genieten. Een tenniswedstrijd winnen als het laatste punt je door de techniek wordt toegewezen, dat heeft weinig heroïek. En je zag Immers wel juichen gisteren, maar het is toch een beetje alsof het voor een lullig eigen doelpunt is. De ontlading is niet even groot, en de voldoening evenmin.

Nee, dan denk ik toch met plezier terug aan de tijd, ver voor Hawk Eye maar bestond, dat ik een uitwedstrijd speelde in Loosdrecht. We verloren 6-2, ik maakte zelfs een doelpunt (toen het 6-1 stond), maar in het begin van de wedstrijd schoot onze midmid van een meter of 25 op doel. De bal kaatste via de lat en de doellijn het veld in. De schutter rende luid juichend weg. De scheidsrechter twijfelde, en keek net als de anderen op het veld verbouwereerd naar onze middenvelder. ‘Tsja, als je het niet probeert, zit-ie sowieso niet’, zei die breed lachend.

%d bloggers liken dit: