Mijn amateurvoetbalclub bestond afgelopen zomer 52 jaar. Eén keer in al die jaren werd ons eerste elftal kampioen. Niet toevallig was dat jaar Piet Schrijvers – dé Piet Schrijvers – hoofdtrainer. Toen er nog zes wedstrijden af te werken waren in de competitie, sprak hij de spelersgroep toe in de kantine. Hij legde uit dat een kampioenschap van een eerste elftal onvergelijkbaar is met een titel van alle overige elftallen binnen de club. Als het eerste elftal kampioen wordt, dan wordt de kantinebaas kampioen, de lijnentrekker, de gehaktballendraaier, de kascontrolecommissie, kortom: iedereen. De moraal: je speelt niet alleen voor je eigen geluk. Denk daar even aan, voor je het opgeeft binnen de lijnen.

Die toespraak schoot me te binnen toen ik gisteren Sanne Wevers het Wilhelmus zag prevelen. Met haar wonnen zoveel anderen. Elvira Becks, die begin jaren negentig zich uit de marge ploeterde als eenling. Ans van Gerwen, beste West-Europese (negentiende) in de meerkampfinale van 1972. De vrouwen die bij voorbaat moedeloos werden van de Oost-Europese suprematie. Vrouwen die nationale titels wonnen. Meisjes die nooit verder kwamen dan recreatief turnen. Iedereen die opgroeide in de turn- en gymnastiektraditie die Nederland zo lang had.

Voor al die vrouwen werd Sanne Wevers gisteren olympisch kampioen. In hun verspreide huiskamers groetten zij met Sanne allemaal juichend af.