Ik was zaterdag op het strand van Scheveningen. Niet om te bakken – mijn lijf is een spiegel; elke straal wordt weerkaatst – maar voor een verjaardag. Het feest vond plaats op het strand naast het beachvolleybalstadion dat ‘s zomers op het zand verrijst. Afgelopen weekend waren daar de Nederlandse kampioenschappen beachvolleybal.

Ik zag geen punt gespeeld worden – daarvoor was ik veel te laat – maar ik kreeg toch een goede indruk van het toernooi. Buiten het centercourt, met een een paar duizend stoelen eromheen, waren op het strand nog wat bijbanen. En buiten de bijbanen waren er nog tientallen beachvelden waar iedereen zo gebruik van kon maken. (De feestgasten hadden die dag ook veel gespeeld, en ik deed nog even mee. Niet gehinderd door enige volleybalervaring, laat staan liefde voor het strand (ik haat zand tussen mijn tenen), speelde ik een potje tot de vijftien. Mijn enige kwaliteit, mijn lengte, verdronk in mijn onkunde. Zondag had ik beurse polsen en spierpijn in mijn schouder. Toch was ik gelijk overtuigd: het is een leuke sport om te doen.)

Naast het stadion hing een enorm canvasdoek, waarop met stift het wedstrijdschema werd bijgehouden. Een Nederlands Kampioenschap in een olympische discipline met het uiterlijk van een biertoernooi. Was alle sport maar zo gemoedelijk.