Pieter van den Hoogenband vertelde ooit in een interview dat zijn opa altijd van het slechtste scenario uitging als hij sport keek. Dan kon het alleen maar meevallen. Ik kan me dat heel goed voorstellen, omdat ik zelf ook jaren zo geweest ben. Ik was een ramp om voetbal- of andere sportwedstrijden mee te kijken. Een penalty? Die ging naast. Of erin, als we hem tegenkregen. Een corner tegen? ‘Doelpunt’, riep ik vast. Eerste punt van de tenniswedstrijd verloren? Dat kon niet meer goedkomen.

Gelukkig heb ik dit in de laatste jaren wat losgelaten. Ik ben meer een beschouwer geworden. Liefhebber van het curiosum. Sven Kramer die de verkeerde baan in wordt gestuurd? Het Nederlands elftal dat zich niet kwalificeert? Onmisbare elementen in waarom sport zo meeslepend is: omdat het ook fout kan gaan.

Als Steven Kruijswijk in de sneeuw valt, of Bauke Mollema door het ijs zakt (wat is dat toch, met Nederlanders en bevroren water?), vind ik het vooral zielig voor hen. De tranen van Tom zijn bovendien veel beter verteerbaar als je even daarna naar het kinderdagverblijf fietst. Ik troost mij met de wiskundige zekerheid dat de dag dat een Nederlander wél het podium in een grote ronde haalt, steeds een dag dichterbij komt. Ook gisteren.