Als je een documentaire of interview ziet over de gebroeders Koeman, dan gaat het vaak over de opgang naar het flatje waar ze woonden in Groningen. Aan weerszijden van het pad naar de centrale voordeur stonden twee ijzeren beugels – om een fiets tegenaan te zetten? Ik weet het niet meer – die voor de broers dienst deden als doeltjes. Op die paar vierkante meter slepen zij hun talent tot het glom. Via Groningen werden ze afzonderlijk Europacupwinnaar bij Mechelen en Barcelona, en samen speelden ze in het enige Nederlands elftal dat het geluk had om een eindtoernooi te winnen.

Er klinkt, vooral uit de mond van nostalgici, regelmatig een klacht dat de generatie die nu opgroeit louter achter de X-box zit, of, als ze nog voetbalt, op het kunstgras niet meer de hardheid van de straat opdoet. Wie het EK nu bekijkt in het licht van onze afwezigheid zou die zwartkijkers nog gelijk geven ook.

Maar zie, gisteren liep ik door het jarenzeventigbeton van mijn eigen wijk, en zag ik op twee stenen huisjes waarin de trappen naar de galerij zitten, drie meter van elkaar, met krijt twee doeltjes getekend. Ertussen speelden twee jongetjes met een bal. Nog 20 jaar wachten, Nederland. Hou vol.