Afgelopen maandag gooide Hugo Borst een steentje in de voetbalvijver. Frank de Boer, zo schreef hij, zou het misschien niet zo hebben op Nederlandse voetballers van Marokkaanse komaf. Het water bleef de hele week rimpelen. Langs de lijnen ging het erover, diverse columnisten droegen hun steentje bij, en Johan Derksen was niet te beroerd om een complete kuub grind in de vijver te storten.

In dit soort discussies moet ik altijd aan Willem Wilmink denken. Weinig dichters hielden zo van voetbal als hij; niet één had een zachtere blik op allochtonen. Het laatste gedicht van zijn bundel Migranten heet ‘Spelende Meisjes’. Het begint zo:

Vol sombere doemgedachten
geraakte ik in een straat
waar meisjes aan ’t spelen waren
en we kwamen aan de praat.

Turkse en Surinaamse
en sommige autochtoon
en ze hadden er nauwelijks weet van,
ze speelden daar gewoon.

Mijn sombere visioenen
van een wereld die verging,
vervaagden in ’t licht van die kinderen
tot een herinnering.

Eigenlijk hadden de scheidsrechters dit weekend niet af moeten fluiten. Dan werd er net zo lang gespeeld tot niemand meer ergens vandaan kwam, maar iedereen gewoon weer een kind met een bal was.