Gisteravond vlak voor elf uur, vlak voor tien uur Engelse tijd, stonden miljoenen mensen op van hun bank of stoel. Liverpool verloste zichzelf in blessuretijd (mercy aan de Mersey): 4-3. Die mensen zaten niet alleen in Liverpool. Ook in Stockport. Glasgow. Cork. Heerenveen. Norrköping. Odense. Chantilly-sur-l’Oise.  Zij hadden voor de derde keer deze week het groene behang in hun woonkamer aangezet, in de hoop even meegesleept te worden.

Er was een man tussen die net weduwnaar was, en voor het eerst weer juichte. Er was een vrouw die twee weken strijk wegwerkte en de bout liet vallen. Er was een jongetje in Kirkdale dat voor het eerst op mocht blijven, in de rust naar bed was gestuurd, en naar beneden kwam toen hij iemand hoorde juichen bij de 2-3. Het was in een villa met thuisbioscoop. Het was op een oude buistelevisie met zo’n hoge piep erin. Het was op een iPhone in de metro.

Ook ik sprong op van de bank. Tegelijk met al die anderen. Niet omdat we tegen Duitsers zijn, of hartstochtelijk Liverpool aanhangen. Maar wel omdat we vóór de bal zijn. Voor het wonder, dat bijna nooit geschiedt. Maar als het zich aandient, met open armen ontvangen moet worden.