Vorige week zat Michel Butter aan tafel bij De Wereld Draait Door. Het ging over 8 seconden. Butter liep vorig jaar 8 seconden te langzaam om de olympische limiet te halen. (Nu geldt dat ook voor mij – ik liep acht seconden trager dan de limiet op de 100 meter.) Butter miste op 8 seconden de limiet op de marathon; dat is een ander verhaal.

Matthijs van Nieuwkerk hamerde er telkens maar op dat Butter bezwaar aan moest tekenen bij het halsstarrige NOC, want wat is nu acht seconden op ruim 2 uur? Butter liet zich gelukkig niet voor dit karretje van frustratie spannen. Wat je bij hem zag, is dat een marathon meer is dan een competitie. Een marathon is een erekwestie. Wie hem uitloopt, heeft sowieso gewonnen. Wie hem net boven de twee uur uitloopt, met een goed gevoel en zonder in te storten na afloop, is een topatleet. Een marathon is een gevecht met iets wat niet kan, en toch lukt.

Dat wilde er bij Van Nieuwkerk maar niet in. Je moest toch naar de spelen willen? Nu, dat wilde Butter wel, maar het ware resultaat had hij al geboekt: hij had van de marathon gewonnen. En Rio, ach – je kunt overal 42 kilometer lopen.