Laat ik, nu zelfs iedereen die ooit een folder over Barcelona heeft doorgebladerd zijn anekdote over Cruijff verteld heeft, ook de mijne met u delen.

Eén keer heb ik Cruijff gezien. Niet zoals Mozes, die alleen de rug van God zag, maar helemaal. Het was in de rust van Ajax-Feyenoord. Hij stond te praten met Sjaak Swart en Marco van Basten. Ik liep erop af om een handtekening te scoren. Van Van Basten welteverstaan – Cruijff herkende ik wel, maar het zei me minder. Iedere generatie heeft zijn eigen helden. Ze hadden het over de wedstrijd. Ronald Koeman speelde in die dagen bij Feyenoord, en was volgens Cruijff de enige aan Rotterdamse zijde die er wat van kon. Ik stond er op een paar meter afstand naar te kijken en te luisteren, maar inbreken durfde ik niet. De drie meest iconische voetballers die Ajax ooit voortgebracht had, voerden een gesprek; hen storen kwam niet in me op. Pas toen ik vorige week overal las hoe toegankelijk Cruijff altijd was, bedacht ik dat ik er misschien toch op af had moeten stappen. Maar ja.

Cruijff was destijds bijna 50. 12 jaar ervoor had hij Feyenoord kampioen gemaakt. Dat zou Koeman niet lukken. Zo. Nu is echt elk verhaal over Cruijff verteld.