Om tien uur gisterenmorgen speelde het carillon van de juwelier in Zeist de lente van Vivaldi. (Niet helemaal, een klein stukje.) Het was toepasselijk, want de zon scheen volop. Ik werd op de fiets ingehaald door een jongen die belachelijk hard reed, kromgebogen over zijn stuur, en op zijn rug een grote rugtas.

Even verderop was de middelbare school waar ik zelf ooit naartoe ging. Alsof het gisteren was, viste ik de begintijden van de lesuren op uit mijn geheugen: 8.25, 9.15 en 10.05. De jongen had waarschijnlijk de eerste twee uur vrij gehad, en fietste nu of zijn leven ervan afhing naar zijn leslokaal. Vroeger dacht ik altijd dat grote wielrenners zo het vak geleerd hadden: opgejaagd door de schoolbel steeds naar nieuwe records in de nooit veranderende tijdrit van huis naar school. Ik herinner me dat ik de tijden soms ook klokte. Een grote wielrenner ben ik er nooit van geworden, een stevige fietser wel.

Ik vroeg me af of ik iets tegen de jongen zou willen zeggen. Maar het was zinloos: hij was al de Verlengde Slotlaan ingedoken. Ik zou hem op mijn bakfiets nooit achterhalen. Maar als hij dit leest: je kunt omwille van de aerodynamica beter je rugtas achterop binden. Vraag maar aan je natuurkundeleraar.