Ik reed vanmorgen langs rugbyclub Eemland. Rugbyvelden zijn lang zo dikgezaaid niet als voetbalvelden, en hoewel de doelpalen een stuk hoger zijn, lopen ze dus minder in het oog. Rugby staat wel weer wat meer in de spotlights: op dit moment is het zeslandentoernooi in volle gang. Zo nu en dan zien we dus beelden op televisie van tribunes met tienduizenden fans (die overigens zonder enige politiebegeleiding door elkaar naar het stadion lopen, zonder dat je bang hoeft te wezen dat een idioot een opblaaspop ophangt) die hartstochtelijk meeleven.

In Nederland rugbyen we niet in stadions. Als je geluk hebt staat er één tribune langs de lange zijde van het veld, waarop 300 mensen kunnen zitten. Rugby in Nederland vindt altijd plaats met de wereld als decor: langsrazende auto’s, een tenniswedstrijd op een aanpalende gravelbaan en kinderen die achter het doel met elkaar stoeien, als een afgeleide van wat op het veld gebeurt.

Zoals amateurvoetbal in de onderafdelingen minder gestroomlijnd is dan het profvoetbal op televisie, is rugby in Nederland een hoekige sport. Verstrengelde lijven in verwassen, soms net te strakke tenues. Langs de kant een paar toeschouwers. Maar niet vanmorgen, want op een vrieskoude donderdag zijn de velden op hun leegst.