Ik zag vanmorgen een dichtgevroren sloot. In een landschap dat uitnodigde om de schaatsen uit het vet te halen, ware het niet dat mijn schaatsen niet in het vet zitten, maar gewoon in een plastic tas met de stempelkaart van de laatste toertocht er verfrommeld bij. De voorspellingen zijn trouwens ook beroerd. Wat zou het – in dit zorgeloze, winterse opzicht – heerlijk zijn om 60 jaar eerder te leven. Toen konden twee nachten zoals deze al aanleiding zijn om te hopen op meer. Wie te vroeg juicht, heeft toch vast plezier gehad. Nu wordt de hoop verijdeld door de verwachting.

Het ijs in het slootje had mooie bubbels en was strak, maar niet leeg. Erop lagen takken, zwarte aarde en een steen. Hier hadden mensenhanden – vermoedelijk die van jongens op weg naar school – geprobeerd het ijs te breken. Eerst met de kleine takjes, die moeiteloos doorgegleden waren. Vervolgens een zwaardere tak: zelfde effect. Daarna had een van hen een bevroren kluit aarde gepakt, en die op het ijs gegooid. Deze was zichtbaar uit elkaar gespat. Toen had iemand een steen gevonden. Die lag ook op het ijs, maar deze had wél een flinke buts achtergelaten.

Conclusie: nog niet dik genoeg. Bovendien zou de schoolbel aanstonds gaan; uit met de pret.