Ik ging zitten in de bus, naast een heer met paraplu. Op het houten handvat zat een stickertje met zijn adres. ‘Past het?’, vroeg hij, wijzend op mijn lange benen. ‘Ik heb ooit gelezen dat wij Nederlanders het langste volk ter wereld zijn.’ ‘Dat klopt’, antwoordde ik. ‘Toch zijn we niet al te best in basketbal. Dit terwijl we wel wereldkampioen korfbal zijn.’

Toen vroeg de man mij naar het verschil tussen korf- en basketbal, zodat ik vertelde dat je om de korf heen kunt lopen, en dat je bij basketbal daarentegen via het bord kunt scoren. En toen over man-vrouw, aanval-verdediging; er zijn eigenlijk tamelijk veel verschillen. ‘Wij speelden korfbal wel op school. Basketbal had je toen nog niet.’ Dit leek me sterk. ‘Maar goed,’ vervolgde de man, ‘ik ben dan ook 94. Het is al een tijdje geleden dat ik naar school ging.’

94! (De Nederlandse Basketbalbond, zocht ik thuis op, werd in 1947 opgericht; de man had gelijk: dat had je niet toen hij naar school ging.) Ik vroeg hem wat hij ging doen in Utrecht. ‘Shoppen.’ Hij vertelde dat hij 40 jaar lang een chique meubelzaak in Utrecht gedreven had. Ik vroeg of hij kinderen had die de zaak overgenomen hadden. ‘Gelukkig niet. Ik zou me alleen maar zorgen maken, in deze tijd waarin je alles thuis bestellen kunt. Daar is niet tegen…oh, ik moet er hier uit!’ En als ik ze niet heel snel opzij had gehaald, was hij waarschijnlijk over mijn twee lange horden heen gesprongen.