Vandaag precies negentien jaar geleden zat ik de hele dag in de voorkamer van het huis van mijn ouders, op de oude groene bank voor de televisie, naar de Elfstedentocht te kijken.

Ik weet nog dat ik teleurgesteld was dat Angenent won. Hulzebosch, dat was een veel leukere kerel. Maar veel tijd om erover te treuren kreeg ik niet. De middag was overladen met indrukken. Fausto de Marreiros en Bart Veldkamp die in de studio zaten bij Mart Smeets. Fausto lachend, Bart kreunend. Ik herinner me de huldiging in de Frieslandhallen, en daar tussendoor geschakeld het beeld van Johan Olav Koss en Geir Karlstad die tegen een lage zon naar de meet reden. Ik herinner me de man die geen stempel kreeg in Dokkum, omdat het elf uur was geweest. En de eerste man die na middernacht op de Bonkevaart aankwam, en die hardvochtige official die met zijn handen een krachtig gebaar van ‘geen doorgang’ maakte. Dat laatste beeld traande door op mijn netvlies toen ik ging slapen. Nog steeds kan ik er niet goed tegen.

Een paar jaar later sloeg ik op een zomerochtend samen met mijn vader de groene bank in elkaar, en brachten we hem naar de vuilstort. Sindsdien vroor het nooit meer hard genoeg.