Toen ik schaatsen leerde kijken, dat was ruim voor ik schaatsen leerde, stond het wereldrecord op de 500 meter in de 36 seconden. Het was in handen van Uwe-Jens Mey, zo wist ik uit het gele Guinness Book of Records 1991, dat ik voor mijn verjaardag gekregen had. Mey was een product van Oost-Duitsland in de jaren tachtig: ijzeren discipline, ijzeren mentaliteit, ijzeren gordijn. En, zo weten we inmiddels, ijzeren dopingprogramma’s. Uwe-Jens, de betwistbaar mooiste voornaam van een wereldrecordhouder ooit, heeft echter nooit één positieve plas ingeleverd. De geur van doping hangt over alle Oost-Duitse sportresultaten uit die jaren, maar we weten niets zeker.

Dit weekend werd het wereldrecord naar de 33 gereden. De nieuwe wereldrecordhouder is een Rus, Pavel Koelizjnikov. Rusland, zo weten we inmiddels ook, heeft het ijzeren gordijn voor het dopinglaboratorium nog lang niet opzij geschoven. En Koelizjnikov heeft nota bene een verleden: hij was al eens twee jaar geschorst, naar eigen zeggen vanwege een verkeerde neusspray tegen verkoudheid. Een excuus waar je in de jaren negentig topwielrenner mee kon worden.

Een kleine drie seconden in 25 jaar. De tijden veranderen, letterlijk. Maar de zweem van vals spel hangt als eeuwige mist boven het ijs.