Ik ben geen Ruslandkenner. Mijn algemene ontwikkeling strekt zich naar het noordoosten maar matig uit, en is een woud van veel klokken en weinig klepels. Wat ik weet van Rusland, heb ik uit boeken en een verdwaald wikipedialemma. Ik zie wel eens een toneelstuk van Tsjechov, en wat ik eruit overhoud is een beeld van een land vol mensen die naar Moskou willen, en zodra ze in Moskou zijn, verdergaan met klagen.

Momenteel lees ik Het einde van de rode mens, van Nobelprijswinnares Svetlana Alexijevitsj. Zij heeft de verhalen opgetekend van de generatie Russen die na de val van de Muur de komst van het kapitalisme meegemaakt heeft. Een generatie die vaders had die in kampen zaten en zich – als ze al thuiskwamen – kapot dronken. Een generatie die de televisie harder zette als de telefoon ging, zodat het afluisteren bemoeilijkt werd. Rusland, zover mijn gebrekkige kennis reikt, is een land waar de dingen decennialang onzichtbaar gebeurden, en als ze al aan de oppervlakte kwamen, verdronken werden in zwijgen en wodka.

Dat Rusland, zo bleek deze week, heeft al jarenlang een dopingcultuur die even onzichtbaar en professioneel is als de KGB zelf. Dat behoeft geen goedpraterij, maar dat arme volk: ze weten niet beter.