Vroeger had ik een buurman met twee televisies. Naast elkaar, in de woonkamer. Hij zat in een combinatie van uitkeringsregelingen – de precieze cocktail daarvan is me ontschoten – maar het gevolg was dat hij, begin zestig, niet meer werkte. Hij had het niet breed, maar gaf weinig uit, en had zijn huishoudboekje zo ingericht dat hij alle sportzenders kon betalen.

Je kon hem uittekenen met een vaal petje van de New York Mets op zijn hoofd, terwijl hij met een gerafelde linnen tas zijn boodschappen deed. Hij was gek van Amerikaanse sporten: ijshockey, basketbal en honkbal. In het hoogseizoen keek hij op zijn twee tv’s tegelijk. Je had nooit last van hem – zijn kijkgedrag voltrok zich in de uren dat ik sliep.

Van de World Series zie je bij de Publieke Omroep alleen een paar klappen. Terwijl de schoonheid van honkbal juist zit in de momenten dat er niet gespeeld wordt. In het overleg op de heuvel, in het dreigen voordat de pitcher gooit. Mijn buurman begreep dat. Vannacht zal hij alle twaalf innings gezien hebben. Kansas City werd door ‘zijn’ New York Mets te verslaan na 30 jaar weer kampioen. Toch zal hij vandaag dat petje weer op hebben gehad, terwijl hij naar het winkelcentrum liep.