Je zou een compleet filmfestival kunnen vullen met beelden van Johan Cruijff. De stift tegen Haarlem. Het lint in zijn hand na die boogbal in het Zuiderpark. Maar ook hoe hij zijn veters strikt. Hoe zijn pezige lijf verdedigers het bos in stuurt en hoe hij zelfs de taal op het verkeerde been kon zetten.

Een ereplaats op dat festival zou er moeten zijn voor de beelden van Johan na zijn laatste wedstrijd voor Feyenoord. In de kleedkamer loopt hij meteen naar een kratje bier, om vervolgens zijn schoenen uit te trekken. Daar zit hij. Knokige knieën, tanige torso. Hij lijkt de eerste de beste amateur te zijn – en dat is hij ook: een liefhebber. Zodra de deur van de kleedkamer sluit, steekt hij een sigaret op.

Nu is hij ziek. Alleen een cynicus zegt dat zoiets je eigen schuld is. De waarheid is dat niemand het verdient om ziek te worden. Wat Cruijff wel verdient, is dat hij nu mag doen wat hij altijd al deed: zijn eigenzinnige gang gaan. Daarom hielden we van hem, daarom houden we van hem, daarom schrokken we gisteren. Johan Cruijff. Een man als miljoenen anderen, maar een voetballer uit duizenden. Niet de eerste, wel de beste. Lang zal hij leven!