Frits Abrahams schreef gisteren in NRC een column over Novak Djokovic. Een ongeliefde kampioen, noemde hij hem, wiens successen – drie grandslamtitels in één jaar – hem niet in dank worden afgenomen. Volgens mij ligt het anders. Djokovic is prima te pruimen, maar Roger Federer is nu eenmaal een geliefdere kampioen.

Als ik zondagavond als neutrale tennisliefhebber in het Arthur Ashe Stadium had gezeten, was ik ook voor Federer geweest. En niet alleen omdat Zwitserland zelf zo graag neutraal is. Je maakt als toeschouwer, of het nu bij een concert, theatervoorstelling of sportwedstrijd is, graag iets unieks mee. Florenzi die van 50 meter een bal in het doel schiet. Coldplay dat Oh Oh Den Haag zingt. Dat werk. En feit is dat je dezer dagen de grachten kunt dempen met grandslamtitels van Djokovic, terwijl je wat Federer betreft alleen maar oude koeien uit de sloot kunt halen. (Wat ongeveer het tegenovergestelde is van de grachten dempen.) Daarom was iedereen voor Federer. En natuurlijk ook – zoals Abrahams schreef – omdat zijn stijl uitstervende is, en hij een stuk sympathieker is.

Waar ter wereld Federer ook speelt, hij speelt altijd voor eigen publiek. Dat heeft hij verdiend, en daar moet Djokovic maar mee leven. Als hij zelf oud is, juichen we voor hem.

Advertenties