Er is een klassiek lied – gezongen door Wim Sonneveld – over Ome Thijs die de prijs wint in de voetbalpoule. De hele straat komt om feest te vieren en alle bloemetjes worden buiten gezet, maar als de roes de volgende ochtend is uitgeslapen, blijkt dat Mietje, de vrouw van Thijs, vergeten is het formuliertje in te leveren. Als zij echter in tranen uitbarst, zegt Ome Thijs: ‘Ach ouwe, huil maar niet / want ik heb nog steeds twee handen aan mijn lijf zoals je ziet / en daar hebben we altijd van kunnen leven.’

Het is uitgerekend deze troostrijke gedachte die nu ontbreekt als je naar het ontmantelde Nederlands elftal kijkt. Altijd konden we terugvallen op een filosofie, onze oneindige voorraad toptrainers of de eeuwig borrelende kweekvijver. Maar nu? Nu resten ons vedettes over de datum en talenten die maar niet ontkiemen. Geen verslagenheid, maar gelatenheid troef.

Wacht ons een reprise van de magere beginjaren tachtig? Onttakelen we tot het niveau van Hongarije? Of zijn we over twee jaar gewoon weer fris gewassen van de partij? Eén ding lijkt zeker: op het komende EK zijn we voor prijzen aangewezen op de voetbalpoule.

Advertenties