Ik keek afgelopen zondag naar de laatste golven van het WK zwemmen. Op de 50 meter schoolslag won Jennie Johansson, een volslagen outsider, de titel. (Ik heb het altijd vreemd gevonden dat school-, vlinder- en rugslag op grote toernooien nog bestaan. Waarom is er niet alleen een vrije slag? Iedereen die denkt dat hij met de schoolslag sneller kan, mag die bij de vrije slag gebruiken. Er bestaat toch in de atletiek ook niet, naast de 100 meter hardlopen, de 100 meter hinkelen, achteruitlopen en kikkersprong? Maar dit terzijde.)

Terug naar de outsider: dat gebeurt bijna nooit. Zwemmen is een heel eerlijke sport. Net als bij hardlopen – de afstanden waarop ze in hun eigen baan blijven althans – is er competitie, maar in feite werken acht mensen een race tegen de klok af. De beste wint, en de favorieten zijn op voorhand bekend.

Voetbal is zo’n aantrekkelijke sport omdat de beste niet altijd wint. Hetzelfde geldt voor wielrennen. Daarom zijn die sporten zo vaak op tv. Zwemmen heeft één onderdeel dat bloedstollende tv-potentie heeft: het open water. Helaas wordt dat vaak dramatisch saai in beeld gebracht. Gelukkig gaat Maarten van der Weijden de barricades op voor verandering. Tot het zover is, moeten we maar genieten van de vreugde van Johansson.

Advertenties