Ooit zong ik in een koor met een vrouw die rugbyde. Zij legde mij uit dat er twee niveaus in het Nederlandse damesrugby waren: het bovenste en het onderste. Als je fanatiek was, vertelde ze, speelde je in de bovenste afdeling, en kwam je ook snel in aanmerking voor oranje.

Dat ging over klassiek rugby. Toen kwam de sevensvariant. Ineens bleek rugby een sport waarin Nederland op internationaal niveau mee kon doen, ondanks onze smalle basis. Het nationale team boekte een aantal aansprekende resultaten, en in 2011 werd een fulltimeprogramma opgezet in aanloop naar Rio 2016. Er werd openlijk geflirt met snelle atleten uit andere sporten, er kwam financiering vanuit het NOC*NSF, het kon niet op. Kwalificatie was een formaliteit. Maar hoe crucialer de toernooien werden, hoe slechter de dames presteerden. Dramatische resultaten in 2014 leidden ertoe dat Nederland zelfs een pré-OKT moest spelen. Dat was dit weekend – en het liep niet goed af. Nederland rugbyt niet in Rio. Was de begeleiding ondermaats? Verkrampte de ploeg? Of werden de andere landen met meer rugbycultuur wél beter in de loop der jaren? Hoe dan ook: de ontluistering was groot.

Er wordt, door alle aandacht, inmiddels veel meer gedamesrugbyd in Nederland. Een te kleine pleister voor deze wond.

Advertenties