Ik keek zondag naar de marathon van Londen. Bij de vrouwen deden twee Kiplagats mee, wat me deed afdwalen naar onze ‘eigen’ Lornah, die in Londen niet aan de start stond, overigens.

Nederland heeft een traditie van het annexeren van buitenlandse sporters. Mia Audina, Li Jiao, Li Jie, Lorna Kiplagat, Sifan Hassan. Maar altijd zijn het vrouwen. Ik kan me niet één man voor de geest halen die vanwege de sport een Nederlander werd (los van de voetballers met Surinaamse roots). Ons herentafeltennis bijvoorbeeld kan dus niet leunen op genaturaliseerde Chinezen. Wij deden het altijd met Trinko Keen en Danny Heister, en daarvoor met Paul Haldan.

Maar zie: tot mijn grote verbazing kwam ik erachter dat Haldan van oorsprong een Roemeen is. In 1983 speelde hij met zijn Roemeense ploeg Universitatea Craiova een uitwedstrijd in Nederland. Haldan ontsnapte in een drukke Amsterdamse winkelstraat aan het alziende Roemeense regime. Hij had een sporttas en 101 dollar, verder niets. Hij vluchtte niet met politieke, maar louter sportieve motieven: hij wilde toptafeltennisser worden. Het werd de subtop. In 1992 haalde hij de laatste zestien op het olympisch toernooi in Barcelona. Tegenwoordig heeft hij een internetbedrijf. In zijn portemonnee zit, als aandenken aan zijn vlucht, nog altijd dat ene biljet van één dollar.

Advertenties