Na dit weekend sluit Thialf zijn deuren. Het enige echte schaatsstadion van Nederland. De term schaatsmekka is wat vreemd, omdat schaatsen zelden door moslims beoefend wordt. (Wat zonde is, want er gaan ongetwijfeld goede schaatsers aan hen verloren. Zoals ze vast ook goed zouden kunnen hockeyen.)

Twee keer ben ik er geweest. Eén keer op een zondag dat het EK afgesloten werd, één keer toen het helemaal leeg was. Uiteraard moet het allemaal moderner, strakker en vooral: gladder. Alles moet voorwaarts, Maarten van Roozendaal zong het al. Maar het Nederlandse schaatsen kán helemaal niet voorwaarts. In dit afgeleefde Thialf, waar de bier- en pislucht je tegemoet slaat als een frituurwalm in een dorpscafé, is de basis gelegd voor de absolute suprematie, vorig jaar in Sotsji. Schaatsen staat internationaal ter discussie. De tien kilometer devalueert. De sport wordt wereldwijd onderhand minder beoefend dan korfbal. De opwarming van de aarde zal de evolutie van de sport ook geen goed doen.

Schaatsen is de ideale zondagmiddagtelevisie, bewegend behang voor cijfervreters, betoverd door de magie van rondetijden. Maar nu krijgt Nederland, de enige reus in een wereld vol dwergen, een supersonische hal. Weldra zal de laatste dooi zijn aanval doen.

Advertenties