In de Volkskrant vandaag staat een groot interview met Tjerk Bogtstra, voormalig Davis Cupcaptain. Hij herhaalde, triest genoeg, wat hij elf jaar geleden zei: Nederland heeft op tennisgebied geen topsportcultuur. Ouders klagen als Tjerk hun kinderen in de sneeuw laat trainen, en Tjerk klaagt dat de kinderen gebracht worden als het regent. ‘We pamperen te veel.’ Inderdaad kunnen Nederlandse tennissers vooral in mentaal en fysiek opzicht niet genoeg pijn lijden om wereldtop te zijn. Haase en Sijsling zijn meermaals afgedropen omdat ze het fysiek niet konden bolwerken. Hetzelfde geldt voor Kiki Bertens.

De martelmethodes uit de Oostblokcultuur waren zo gek nog niet, voor wie de top wilde bereiken. Maar behalve grootse prestaties leverde het ook een hoop psychische ellende op. Nu rukken de mooiboys op – niet alleen in het tennis, ook in het voetbal. Een mooi kapsel lijkt belangrijker dan een mooie kapbeweging (of een schaar).

Behalve klagen over de mentaliteit zei Bogtstra ook iets moois: dat je echt van de sport moest houden, om diep in Kazachstan te knokken voor een paar verdwaalde ATP-punten. Ik herkende er de beginnende theatermaker in. Voor een veredelde reiskostenvergoeding het land afreizen om publiek te sprokkelen. Voel ik me toch een beetje topsporter.

Advertenties