Ik keek gisteren met een schuin oog naar deze documentaire: Messi. (Nog een week terug te zien, en doe dat, met meer dan een schuin oog.) Wat ik ervan zag was prachtig. Grote namen uit de periferie van Messi – medespelers, trainers, oud-trainers, journalisten – beschouwden zittend aan tafel in een restaurant het fenomeen Lionel Messi, alsof het kunstcritici waren die Marlene Dumas bespraken – met gewicht en ernst.

Absoluut het ontroerendst waren de beelden uit begin jaren negentig, waarop een piepkleine Messi als een tekenfilmfiguurtje tussen zijn leeftijdsgenoten door dribbelde, en het ene doelpunt na het andere maakte. Vooral mooi is dat hij na ieder doelpunt niet lijkt te juichen, maar met de handen langs het lijf, bijna verlegen terugloopt naar de middencirkel, want dan kan hij zo snel mogelijk weer aan een nieuwe aanval beginnen.

Vanzelfsprekend gaven de mannen aan tafel veel eer aan Guardiola, in wiens systeem Messi tot grote hoogten steeg. Maar opvallend veel lof werd toegezwaaid aan de trainer uit Messi’s beginjaren als prof: Frank Rijkaard. Hoe zou het met hem zijn? Nadat hij, vandaag precies twee jaar geleden, ontslagen werd als bondscoach van Saoedi-Arabië, is hij niet meer opgedoken als trainer. Gelukkig voetbalt Messi nog wel.

Advertenties