Zoals Govert Goudglans, als hij de schat is misgelopen, zich verkneukelt aan het feit dat Dagobert ook niets heeft, zo warmden de Feyenoorders zich gisteren aan het demasqué van Ajax. In de trein naar Amsterdam, waar ik in zat omdat ik er moest optreden, bespraken de veelal jeugdige supporters met enig dedain de wedstrijd tegen Vitesse, ondertussen tips uitwisselend over welke Italiaanse spits het goed deed in FIFA (het computerspel).

In mijn kleedkamer, gisteren de boardroom van een groot museum, want het was een schnabbel, moest ik ook al aan sport denken. Aan de WK-wet van Steven Rooks: wachten, wachten, wachten. Zo is ook het leven van een artiest. Acht uur binnen komen, kwart over acht gesoundcheckt, en dan anderhalf uur je nagels stukbijten op de teksten van de liedjes die je speciaal voor de vertrekkende directeur geschreven hebt. Je bent in vorm, maar je moet wachten, wachten, wachten, en erop vertrouwen dat je presteert als het moet.

’s Avonds laat in de kiosk schoot ik een opgeschoten jochie in Ajaxshirt aan voor de uitslag. 0-4, hij begreep het zelf ook niet. ‘Maar nu moet ik mijn moeder bellen dat ik de laatste trein naar Oss ga missen.’ Het wachten was nog niet voor iedereen voorbij.

Advertenties