PSV-Feyenoord was gisteren beslist geen niemendalletje of blankebabybilletjesprivilege; beide ploegen vergastten de toeschouwers op een toverballenautomaat van een wedstrijd en gaven het voetbal terug aan de kijker. Feyenoords defensie, uitentreuren bewierrookt, bleek plots een oeioeimachine te zijn, zodat PSV-spits Luuk de Jong een rodelopergevoel bekroop.

Toen Feyenoorder Kazim-Richards, menigmaal aangezien voor een kasuaris of turco – ten onrechte, hij komt immers niet uit West-Australië of het Middellandse Zeegebied – vlak voor tijd de gelijkmaker binnen knikte, was er geen sprake van gillendekeukenmeidenvertoon maar van een heuse apenrots. Nochtans was de wedstrijd niet gedaan. Depay, zo op het oog niet echt in goeden doen, bezorgde de Rotterdammers in blessuretijd alsnog trubbels, en zette de turbe in vuur en vlam.

Fred Rutten kookte vanbinnen en vanbuiten, maar het neutrale publiek, van bollewangenhapsnoeten tot rock-‘n-rolllegendes en van Willy de Tweede tot de BN’ers in de Eerste Kamer der Staten-Generaal, trokken met hun broughams luid toeterend door de straten; de oe’s en a’s waren niet van de lucht, en hun conclusie moest wel luiden: ‘Meer! Meer! Meer!’

Advertenties