-Hallo.
-Hallo, met Guus. Ben jij dat, Johan?
-Natuurlijk. Je hebt toch mijn nummer gebeld?
-Ja. Zeg Johan, nog even over dat congres van maandag.
-Waarom? Het is toch opgelost?
-Hoe bedoel je?
-Nou. Hun hebben dus gisteren alle prijzen wie mogelijkerwijs te winnen waren, gewonnen. Coach, doelpunt, ploeg en sporter van het jaar.
-Ze zijn alleen geen wereldkampioen geworden.
-Nee, maar dat is logisch. Toen had ik me er nog niet mee bemoeid.
-Alsof die andere prijzen wel jouw verdienste zijn!
-Natuurlijk. Als ik naar een congres kom, dan werpt dat gelijk resultaten af wie onmiskenbaar zijn.
-Pas op je taal hè. Vanavond is het Groot Dictee.
-Ja, maar daar gaat het om hoe je speld, niet om de grammatica.
-Spelt is met een t.
-Dit is een telefoongesprek, Guus. Je kunt helemaal niet horen of ik het met een t of een d zeg. Heb je trouwens Robin van Persie gezien bij zijn toespraak?
-Ik viel halverwege in slaap.
-Dat komt dus omdat Van Persie een voetballer is wie normaal gesproken spreekt met zijn benen. Maar nu sprak hij dus met zijn hoofd, maar daar moet hij dus mee voetballen, zoals ik maandag
heb uitgelegd.
-Hij voetbalt toch ook met zijn benen?
-Maar hij won die prijs dus door te scoren met zijn hooft.
-Hoofd. Met een d.
-Kijk Guus, dat is dus jouw basisprobleem.
-Wat?
-Jij hebt dus geen spelplezier.

Advertenties