Gisteren maakte de Nederlandse rugbybond bekend dat ze bijna een miljoen euro tekortkomt op de exploitatie. Dat zal niet in één nacht gebeurd zijn, zoals je ook niet een wedstrijd in de laatste minuut met 7-0 kunt verliezen. (Hoewel, bij rugby kan dat wel, met een try en de conversie.)

Voor een bond met iets meer dan 10.000 leden is zo’n hoge schuld een staaltje onbehoorlijk bestuur waar de honden geen brood van lusten. De schuld is vooral opgedaan door te veel geld uit te geven aan selecties en evenementen, met name voor de sevensvrouwen. Diezelfde vrouwen worden als voornaamste slachtoffer genoemd als de bond een faillissement tegemoet zou gaan. Ze worden kansrijk genoemd voor de olympische spelen van Rio, waar de sevensvariant op het programma zal staan, maar feit is dat ze bij de laatste toernooien steevast door het ijs zakten. Ze verloren drie keer in eigen land, en kwalificeerden zich in september niet rechtstreeks voor het kwalificatietoernooi.

De echte slachtoffers zijn de reguliere leden. De bond heeft een reddingsplan gepresenteerd dat erin voorziet dat ieder jeugdlid 40 en ieder seniorenlid 80 euro moet overmaken. Vóór 1 februari, graag. Gelukkig zijn rugbyers eraan gewend dat een balletje raar kan rollen.

Advertenties