Het was halverwege de tweede helft dat ik ineens helemaal genoeg had van de Champions League. Ik verlangde naar de tijd dat Liverpool een herkenbare grootmacht was, met acht roodharige Engelsen. Ik keek naar Steven Gerrard, een schim van zichzelf, met af en toe een briljante ingeving maar dramatisch in de duels. De enige, afgebrokkelde toren van wat ooit een imposant kasteel was geweest.

Totdat die toren ineens scoorde, en plots de glans van vroeger terug was. Zoals in dat Donald Duckverhaal waarin een ruïne eens per jaar, met kerst, de glorie van het oude kasteel terugkrijgt, en alle gestorven personeelsleden tot leven komen om een kerstmaaltijd te bereiden die precies op tijd op tafel moet staan voor de kwaaie kasteelheer. Maar niemand die ze op het juiste moment wakker maakt uit hun dodenslaap, waardoor ze ieder jaar terugvallen in een eeuwigdurende vervloekte dood. Totdat Donald Duck toevallig verdwaald langsrijdt, en ze na 400 jaar eindelijk precies om middernacht op Kerstavond het eten op tafel hebben staan, waardoor ze vredig kunnen sterven.

Zo ongeveer. Er volgde inderdaad een hartstochtelijk slot waarin de ingeslapen Liverpoolse bende er alles aan deed om niet in de vergetelheid terug te vallen. Maar de Champions League bleek geen Donald Duck.

Advertenties