Ineens was de kunstgraskritiek overal in de media. Bij de journalisten, bij de spelers, bij de fans, bij iedereen. Misschien kwam het door de steenmarter die over het veld liep bij Heracles-PSV. Tevergeefs op zoek naar iets wat leefde – de wedstrijd deed dat tot dan toe ook niet. Misschien was het omdat alle zes de kunstgrasclubs thuis speelden: Cambuur, Zwolle, Excelsior, Heracles, Dordrecht en ADO Den Haag.

De kunstgrasexplosie is een afspiegeling van onze volksaard. Het is namelijk goedkoop. Je betaalt alleen de aanschafwaarde, en daarna kun je bezuinigen op personeel. (In geen enkel ander land wordt ook op zoveel feestjes de drank afgekocht. ‘Dan weet je tenminste waar je aan toe bent.’) Dat een stadion dientengevolge naar een autobandenfabriek ruikt bij warm weer: soit. Het aantal kunstgrasvelden in de eredivisie is trouwens in lijn met het aantal kunstgrasvelden in het amateurvoetbal – zeker in de randstad. Ook gemeentes kunnen rekenen.

Maar vooral is het een gevolg van een gebrek aan gevoel voor traditie. Een Engelse voetbalclub wacht tien jaar met de verbouwing van hun legionelladouche met zwemmerseczeembacterie, maar kan zo wel het gras blijven betalen. Waar de douche weer viezer van wordt, overigens, maar de lijnentrekker vindt het niet erg om ook een trekkertje door de kleedkamer te halen.

Advertenties