Grofweg kun je op vier niveaus voetballen. Profvoetbal, prestatief amateurvoetbal, recreatief amateurvoetbal en voetballen op straat of in het park. Die laatste categorie bestaat eigenlijk ook uit twee lagen: zij die het wel kunnen, en zij die het niet kunnen.

Gisteren zag ik de laatste groep. Op het grasveld in het park achter de vrijgemaakte kerk, waar de gemeente twee ijzeren doeltjes heeft neergezet, waren acht mensen aan het voetballen. Het spel was hoekig van onvermogen, en de spelers waren allesbehalve atletisch. Ik zag een iets te dikke jongen met hoog opgetrokken witte sportsokken boven zijn zwarte schoenen, een man in een kort rood broekje dat al te vaak gewassen was, nergens waren noppen te bekennen, er deden ook twee vrouwen mee, niemand droeg hesjes of andere kenmerken om het team te onderscheiden, en er werd gespeeld met een blauwe bal van Bart Smitachtige allure. Alle spelers lachten, er werd vrolijk achter alle ziekenhuisballen aangehold en over en weer werden grappen gemaakt. Hoeveel het stond bleef voor altijd onduidelijk.

Het zag er niet uit, en toch was het een schitterend gezicht. Ik kreeg zin om mee te doen – dat was me achter de tv of in een stadion nog nooit overkomen.

Advertenties