Een jaar of 12 geleden, in een winter die koud genoeg was voor ijsbanenijs, maar niet voor bevroren plassen, vroeg een medestudent mij of ik mee ging schaatsen. ‘Ik kan niet schaatsen’, antwoordde ik. Zijn reactie zal ik nooit vergeten: ‘Jij heet Jan, en je kunt niet schaatsen? Ik ken Mohammeds die kunnen schaatsen!’

Een dag later kocht ik een paar combinoren, en ik leerde mezelf krabbelen op de ondergelopen sintelbaan van Zeist. Na vijf dagen kon ik 40 rondjes rijden, 16 kilometer. Genoeg om ooit een tochtje te kunnen ondernemen, wat ik jaren later ook deed. Op dezelfde combinoren rijd ik inmiddels 60 kilometer.

Bij de natuurijstochten zie je zelden Mohammeds – het is in meerdere opzichten een witte wereld. Maar gisteren stond er op het ijs van het NK – met zoals ieder jaar oude wijn in nieuwe pakken – een jongen met de schitterende naam Daidai Ntab. Een man met een Senegalese vader, opgegroeid in Oisterwijk. ‘Toen mijn vader de eerste keer kwam kijken, stond hij met vier jassen aan op een plek waar hij niks kon zien.’ Het wachten is op de eerste Mohammed die aan het NK meedoet. Ik zal voor hem juichen.

Advertenties