Ik las vanmorgen een gedicht over een gewichtheffer: ‘Die taai klou van die grond / vermenigvuldig elke pond // die ruie vlegsel van die spier / is – triomfantelik! – een dier // wat met een kap blitssnel / die swaartepunt verstel.’

Dit gedicht van de Zuid-Afrikaan Ernst van Heerden won een zilveren medaille op de olympische spelen van Londen in 1948. Wat? Ja, u leest het goed. Pierre de Coubertin, die de spelen in 1896 nieuw leven inblies, had namelijk bedacht dat er ook ruimte gemaakt moest worden voor kunst bij de olympiades. Zijn motto was: sport verbroedert, en kunst veredelt. Tussen 1912 en 1948 werden er dus medailles uitgereikt aan kunstwerken. Schrijvers, schilders, beeldhouwers, architecten: ieder artistiek talent maakte kans op goud, zilver en brons. In het pas verschenen standaardwerk De muzen op het schavot, waarin ik ook het gedicht las, wordt de ongelofelijke geschiedenis van deze wedstrijden beschreven, komen alle medaillewinnaars voorbij en worden de Nederlandse bijdragen belicht. Een soms hilarische verzameling van hoogte- en onmiskenbare dieptepunten. Het was niet zo dat iedereen die kon rijmen, kans maakte op een medaille, maar veel scheelde het soms niet.

Terecht dus misschien, dat de wedstrijden van het programma verdwenen. Maar feit is dat mijn absoluut enige kans op olympisch goud me zo door de neus is geboord.

Advertenties