Gisteren gaf mijn vader mij een bordspel dat hij thuis gevonden had: het Homas Tourspel. Een wielerspel uit de jaren zeventig. Ooit had ik het van mijn oom gekregen, en die heeft het waarschijnlijk als kind gespeeld. Iedere speler (ploegleider geheten) moet vier wielrenners over een parcours dobbelen, langs bergen, kasseien en andere obstakels. Een kartonnen Tour.

Je kunt het spel zo ingewikkeld maken als je zelf wilt. Er is een heel systeem van krachten, demarrages en kanskaarten die je pech of geluk bezorgen. Prachtige teksten staan erop: ‘Je hebt een steenpuist zo groot als een duivenei. Twee beurten overslaan.’ En: ‘Er gaat maar eens wat extra vet in de broek. Gooi met één dobbelsteen extra!’ Helemaal schitterend is het dat je ook kunt besluiten stimulerende middelen toe te dienen. Daartoe trek je een van de zes dopingkaarten. Het brengt je een kortstondig voordeel, maar: aan het eind van het spel volgt de dopingcontrole. Uit dezelfde stapel worden dan twee kaarten getrokken. Als jouw dopingkaart erbij zit, verliest de gedrogeerde renner al zijn punten (en de ploegleider eventueel het spel.) Tenzij de contraexpertise negatief uitvalt: als je uit de zes kaarten weer de oorspronkelijke kaart trekt, glip je erdoor.

Ach ja, het oude wielrennen. Wat een feest was dat.

Advertenties