Toen gisteren Gerrit Kouwenaar overleed, of, preciezer gezegd, toen het bericht van zijn overlijden mijn bewustzijn bereikte, waren het niet zijn dichtregels die mij tebinnen schoten. Zijn naam verbond ik – het geheugen kiest in eerste instantie de kronkels die het eerder bewandeld heeft – met toneelvertalingen. Toen ik in mijn studententijd de avonden in de schouwburg aaneen reeg, stond zijn naam vaak in de programmaboekjes. Hugo Claus, Hugo Koolschijn, Gerrit Kouwenaar: mannen die van vreemde talen de onze maakten.

Gisteren scrollde ik langs zijn gedichten. Graag had ik met een soepel armgebaar een rug uit mijn kast getrokken, maar zo belezen ben ik niet. Ik zag woorden die ik kende in verbanden die ik nooit gelegd had; druppels die me bekend voorkwamen die samen een onbekende stroming vormden: poëzie, kortom. Maar in plaats van mij onder te dompelen en regels toe te voegen aan de bladzijden van de dag, besloot ik die avond, al mijn voornemens ten spijt, mijn tijd te verdoen met 22 mannen die achter een bal aan oefenden. Spoedig waren het er 21, de angel was uit de wedstrijd, ik zapte weg maar de weg terug naar zijn woorden was afgesloten. Ik kon enkel omzien met zijn taal:

‘men ziet wat was terwijl men is’

Advertenties