Het was een pracht van een zaterdag. De voorspelde regen bleef uit, en we speelden in alle vroegte een uitwedstrijd bij FC De Bilt. Op mijn favoriete veld ook nog eens: achter het hoofdveld, tussen de bosjes, een klassiek grasveld met kale doelgebieden en madeliefjes bij de cornervlag.

Mijn elftal speelde misschien wel de beste wedstrijd van het seizoen.  We stonden 1-0 achter bij rust – voor ons een maximaal resultaat. Na rust werd het 2-0, en ik legde mij neer bij een kleine nederlaag. Toen maakten we opeens 2-1 en zelfs 2-2. Een ongedacht genoegen daagde, en toen kwam het moment. Ik kopte een voorzet vanaf de rechterkant in mijn eigen doel. Er waren nog vijf minuten te spelen waarin wij geen potten meer braken.

Na afloop was iedereen aardig. Dat ik in elk geval eerder bij de bal was. Dat het profs ook overkwam. Zelfs alle tegenstanders kwamen een aai over mijn bol geven: ‘Dit had je niet verdiend.’ ’s Middags bij mijn eigen club vroeg iedereen of ik gescoord had. Lachend boden ze me bier aan. Het was exemplarisch voor mijn carrière. Maak ik een keer de winnende, is het in eigen doel. Thuisgekomen paste ik met gebogen hoofd mijn biografie maar weer eens aan.