De geëxcommuniceerde Katoesjaploeg, een potpourri van kasuarissen en andere paradijsvogels die liever met molières of brogues dan klikschoentjes aan hun voeten de trappers zouden laten ronddraaien, moet volgend jaar de wielergang met weidse uitzichten door het land van Charles Baudelaire, uitlopend op de Eiffeltoren, zelf afdwingen.

Deep down is het ik-besef van de wielrennerij dramatisch: of het nu de nouveaux riches zijn of de swiebertjes, monniken met armeluisleventjes of burgemeesters in hun sport: hun in- en intrieste wereld is verziekt. De tijd van halfduistere hotelkamers en achterafplaatsjes met steegjes vol dorpsdokters is voorbij, en nu moet iedere patiënt coûte que coûte op brood en water de schoonheid in de sport zien terug te brengen.

Voor velen was dopinggebruik een a-priorikeus, een megasimpele maar niettemin minutieus georganiseerde misdaad, hoe laag-bij-de-gronds het ook was, het was godbetert wel een tijd van comfort waarin van modder goud werd gemaakt. Nu de smaragdgroene valleien gewoon weer dalen zijn, en het hermelijn weer vervangen is door de livrei, lijkt alles weer als vroeger, maar de vraag die overblijft is: is het publiek nog geïnteresseerd?