Het eerste lied dat ik ooit van Maarten van Roozendaal hoorde, was ‘Postbode’. Het stond op een cd met conferences en liedjes die ik kreeg voor/van Sinterklaas. Het was in de tijd dat ik de liedjes doorklikte op mijn cd-wisselaar, om alleen de conferences te luisteren. Toen ik die allemaal kende, begon ik zonder haast aan de liedjes, maar meestal interesseerden ze me niet.

‘Postbode’ beschrijft hoe Van Roozendaal terugkeert naar het dorp van zijn ouders, en een jeugdvriend tegenkomt wiens vader én opa postbode waren, maar zichzelf ‘doodliepen in zee’. Van Roozendaal zingt:

Nu loopt er een rondweg over de velden van Quick Boys
En die zijn zelfs één club nu met ons OKB
Op Klompen Begonnen, rode broekjes, gele shirtjes
En spekkies en zoethout en plastic bekertjes thee
En op de fiets, als je uit moest, had je altijd wind tegen
In een rij door de regen en nu je me ziet, zeg je:
Jij bent toch Neeskens, en ik zeg: Hé, Cruijff, hoe gaat het
Je kunt een dorp wel verbouwen, veel verandert er niet

Maarten bezat het vermogen om met één zin een beeld op te roepen dat een heel verhaal in zich borg. Het bovenstaande couplet roept, zin voor zin, de wereld van het Nederlandse amateurvoetbal op. Als onderdeel van een herinnering aan zijn jeugdvriend. Alle temps perdu wordt gevangen in de slotzin van het lied, als zijn vriend hem ziet: ‘Ga je op bezoek bij je ouders jongen? vraag je / Neem jij dan even de post voor ze mee.’

Jaren later pas zag ik hem in het theater. Inmiddels was ik in de fase dat ik de conferences oversloeg, en vooral naar liedteksten luisterde. Ik kende ‘Red mij niet’, dat de Annie M.G. Schmidtprijs had gekregen, en wilde dat weleens live meemaken. Zo ging ik voor het eerst naar de Kleine Komedie in Amsterdam, Maartens thuistheater. Het waren de dvd-opnames van het programma Barmhart, en na de toegift (‘Mooi’) liep ik betoverd naar buiten. Zoals dat met zoveel dingen gaat, realiseerde ik me pas later hoe goed dat programma was. Vanaf dat moment zag ik al zijn theaterprogramma’s twee keer, zodat ik de tweede keer kon vaststellen wat ik de eerste keer allemaal gemist had omdat ik onder de indruk was.

Twee jaar later won hij de Poelifinario voor zijn programma het Wilde Westen, en ging ik aan de Koningstheateracademie studeren. Ik kan niet zeggen dat hij mijn grootste voorbeeld was, maar grote bewondering had ik wel voor hem. Er zijn veel mensen die goed kunnen zingen, en er zijn aardig wat mensen die geweldig muziek kunnen maken. Met schrijvers kun je de grachten ook dempen, maar dat Maarten het alledrie kon, maakte hem uniek.

Voor mijn afstuderen als liedtekstschrijver, eind 2010, werd een aantal artiesten uit het kleinkunstvak gevraagd of ze een liedtekst wilden komen zingen die ik speciaal voor ze zou schrijven. Maarten zegde toe, en ik ging naar Amsterdam om met hem te praten over een lied. Ik vroeg hem of hij van voetbal hield, de postbode nog in mijn achterhoofd. ‘Vooral het voetbal van vroeger’, zei Maarten. Met het circus van vandaag had hij maar weinig op. Misschien was zijn liefde voor het voetbal wel verdwenen met die rondweg.

Ik vertelde dat ik al lang een lied wilde schrijven over het mooiste doelpunt dat ooit in Nederland is gemaakt: de omhaal van Marco van Basten tegen FC Den Bosch. Dat was vroeger genoeg. Maarten bestelde nog een biertje, en ik legde uit waarom ik het doelpunt zo mooi vond: de korte broekjes, het ballet van Van Basten, de fotograaf achter de goal die vergeet af te drukken. ‘Ok,’ zei Maarten, ‘dat gaan we doen, maar we moeten iets verzinnen waardoor dat doelpunt het decor is voor het eigenlijke verhaal dat je wilt vertellen. Er moet een dimensie bij.’

Zo gezegd, zo gedaan. We bedachten dat het een vrouw moest zijn die uitlegde wat er zo bijzonder was aan het doelpunt. Met een compleet verhaal in lijnen en strepen op mijn ruitjesblok vertrok ik, twee uur en flink wat biertjes later, uit Amsterdam. Twee maanden later zong Van Roozendaal in het Koningstheater dit lied (muziek: Tom Dicke):

Wij waren erbij
Je vader en ik
November, de Watergraafsmeer
Een actie op rechts,
Van ’t Schip volgens mij
Een schaar, zoals iedere keer

En hij legde ‘m af
naar Rijkaard, die speelde
De bal tussen twee mensen door
Weer naar Van ’t Schip
die gaf ‘m aan Wouters
En die zette achteloos voor

Te ver en te hoog
Zo leek het althans
Een kansloze bal voor van Basten
Maar Marco keek op
Met z’n timmermansoog
En zonder te denken verraste hij

ons met een omhaal en tot in de nok
stokten de adem, de blik en de klok
Marco hing los van de grond
Horizontaal in de lucht voor het doel
Stil bijna, zwevend, je kreeg het gevoel
Dat er geen tijd meer bestond

Je vader kreeg koffie van Karel, die schele
Harry zat net als altijd in z’n zak met z’n leuter te spelen
Henk nam een hap van z’n brood dat-ie mee had gekregen van thuis
En daar ging de bal
Op weg naar het kruis

Net zo’n gevoel van onmetelijk traag
Iets wat gebeurt in een flits maar gestaag
Heb ik nog één keer gekend
Je vader was ziek en ik zat aan zijn bed
Hij rookte doodstil nog één sigaret
Dat was een tijdloos moment

En buiten op straat viel een dakpan aan scherven
Net die dag was Gerrit-Jan van de buren de gevel gaan verven
Alles liep net als normaal maar de klok stond voor ons buitenspel
Toen je vader zei: ‘lief,
Tot hier, dankjewel’

Van Basten stond op
Hij juichte klassiek
Wij stonden en keken ernaar
Er klonk ‘zag je dat?’
Door het hele publiek
Het kon niet, en toch was het waar

Hij sjokte terug
Of er niks was gebeurd
Maar voor even was voetbal ballet
Hij plukte misschien nog
Wat gras van z’n shirt
En ze haalden de bal uit het net

En altijd wanneer ik die omhaal bekijk
Zit je vader weer even naast mij
Zit ik weer even naast hem
Hoor ik zijn stem toen-ie zei:
‘Als we straks oud zijn, lief, zeggen we: wij
Wij waren erbij’

Wij waren erbij

Geen perfecte tekst, maar net als Van Basten kon Van Roozendaal ook met een mindere voorzet uit de voeten.

Behalve zijn theatertalenten bezat hij nog een grootse eigenschap: hij gaf je het gevoel dat je erbij hoorde. Hij nam je serieus in wat je deed, gaf adviezen, en voelde zich niet te groot. Zoals een stervoetballer die op straat even meedoet met een partijtje tussen twee kinderen. Maarten moedigde aan maar bemoeide niet te veel. De sporadische keer dat ik hem een tekst stuurde, kreeg ik altijd vriendelijke woorden terug. ‘Je bent er bijna’, zei hij dan. ‘Ik ga er niet te veel over zeggen, maar…’ en dan volgden er drie zinnetjes waaruit bleek dat hij het goed had gelezen, en waarin een gouden tip stond.

De laatste keer dat ik hem zag optreden was in Amersfoort, vorig najaar. Hij sloot het programma af met ‘Jimenez’, een vrije bewerking van een gedicht van Juan Ramon Jiménez: ‘ik ben de man die naast mij staat / die vaak een andere kant opkijkt / maar als ik val zijn hand toereikt / die rustig thuisblijft als ik zwerf / en die rechtop staat als ik sterf.’

En rechtop staat hij, in zijn liedjes. De toegift in Amersfoort was overigens dezelfde als destijds in de Kleine Komedie. Na afloop schoot ik hem even aan. Hij deed wat hij altijd deed, als hij bekenden begroette: hij gaf een zoen. We maakten een praatje, en we gingen huiswaarts.

Nu is hij dood. Maar we waren erbij toen hij leefde en zong. Mooi, was het.